Mediteren is mixen

Het mediteren dat ik doe is een soort mixen, of het toelaten van een soort mixen.
Er is dát waar ik met opzet op focus, zoals een bewustzijn van ademhalingservaringen of van lijfelijke gewaarwordingen (bv door licht te bewegen).
Dat is 1.
En dan is er alles wat daartussen, daardoor, eroverheen, in de plaats komt, wat je net kan opmerken omdat je die eerste focus probeert te nemen (wat – als het goed gaat – steeds opnieuw mislukt).
(Mediteren is dan ook steeds ‘ook mislukken’.)
Dat is 2.
Dat ‘daartussen, daardoor, eroverheen, in de plaats’, dat merk ik dan op.
Ik ga er niet te lang op door.
Opnieuw naar de focus.
Altijd opnieuw.
Dat is 1.
En steeds even opnieuw al dat andere dat zich laat ervaren.
Dat is 2.
Dat andere, dat is van het leven.
Van mij.
(van dat wat ik ‘mij’ noem)
(maar wat bedoelt een mens daar eigenlijk mee, ‘mij’, want veel daarvan voelt ook vreemd genoeg aan om het ‘iets anders dan mij’ te kunnen noemen)
Een sfeer.
Een gedachte.
(dat wat we een ‘gedachte’ noemen)
(maar wat voor radicaal verschillende gebeurtenissen en verschijnselen en rampen en hallucinaties en uitstortingen worden ‘gedachte’ genoemd!?)
Een of andere werkelijkheid.
Het is 2.
Tijdens dat mediteren raakt dat mij aan.
Ik raak het aan met een beetje bewustzijn of tasten.
Weer naar iets ademachtig. Lichaam.
Proberen me erop af te stemmen.
Dat goed proberen doen.
Het vraagt een zekere moeite.
Opdat dat andere kan opgemerkt en aangeraakt kan worden.
Opdat dat me kan aanraken.
Dat is het mixen.
Het ene.
Het andere.
Proberen niet gevangen te geraken in een ‘het goed proberen doen’.
Me bevrijden wanneer ik door krijg dat ik ‘het goed probeer te doen.’
Ik herinner me dan soms aan dit: het gaat erom het wat proberen uithouden met mezelf.
(wat ‘mezelf’ ook is)
Het proberen uithouden met het leven zoals het zich die minuten voordoet, op mijn stoel, op mijn kussen.
Ik word er geen beter mens van.
Maar er is iets oké aan.
Johan Van de Putte

Het Z-woord

[Als je liever luistert naar dit artikel, dan klik dan HIER]
Zelfzorg, dat is een woord dat ik de laatste maanden vaak gebruik (enkel in gesprek met mezelf, in mijn dagboek). Ik gebruik het en ik ben er dan tegelijkertijd gegeneerd over en eens opgeschreven wend ik me er snel van af. Het is geschreven, nu snel over naar het volgende.
Ik gebruik het omdat ik geen alternatief ken maar er kleeft een associatie aan die ik niet graag heb.
Ik associeer het met een wijzende vinger, met gezondheidsdictatuur, dat je gezond moet zijn, dat dat het belangrijkste is en dat zelfzorg dus een plicht is. Het houdt in dat je genoeg beweegt want dat maakt je weerbaar, dat je mediteert want dat is goed tegen de depressie, dat je dankbaar bent want dat is goed voor de bloeddruk, …
Zelfzorg dus. Brrr.
Brr tegen het woord.
Niet tegen ….
Zondag voelde ik dat ik niks of niks in aanraking wou komen met online-igheden. Geen mail. Geen internet. Niks van dat soort prikkels.
Ik gunde mezelf een bepaald gevoel, sfeer, klimaat. Online-prikkels zouden dat verpesten.
Ik gunde het me én ik ging er voor zorgen ook.
Dat gaf onmiddellijk iets, dat ‘gunnen’ gecombineerd met daadkracht.
Plus dat ik besefte waar ik aan ging ontsnappen.
Opluchting over wat me bespaard ging blijven, die dag, nl het gif dat je binnen krijgt wanneer je de sluizen van online-kanalen open laat staan.
De opluchting – dàt gaat niet gebeuren, ik ga dat niet laten gebeuren – en het vriendelijke dat ik voelde, de dankbaarheid jegens mezelf.
Dat iemand dat voor je doet … Zo lief!
Hoe moet je dat noemen, zo’n daad? Zelfzorg? Brr … Het Z-woord.
(Ik hou wel van ‘care’, zoals in ’take care’, daar heb ik lieve associaties bij) (maar ‘going into care’ heeft dan weer heel nare associaties voor veel mensen)

Zeno

Zeno is in ons gezin gekomen toen hij zo’n 7 weken oud was.
Een vreemd wezentje vol leven.
Een Italiaanse waterhond.
Gelijk onze Jul, onze slimmelievestabielezorgzame roedelgenoot.
Vanaf zijn 3 maand gingen we met Zeno 2 keer per week naar de hondenschool.
Daar bleek hij een beetje angstig voor andere honden en mensen maar hij was dan weer de dapperste met behendigheidstuigjes.
Als hij oud genoeg was, zou hij misschien agility kunnen gaan doen. ‘Goed voor het zelfvertrouwen’, vertelde een kenner me.
Leuk perspectief.
Dan werd hij eerste op het clubkampioenschap! (in de jongste categorie weliswaar)
En: hij deed het altijd goed bij de proeven om naar een hogere categorie te gaan!
Ik transformeerde in een hondentrainingsfanaat. Wie weet hadden we hier wel een kampioen!?
Tot …
Tot de dag dat hij niet meer deed wat ik hem zei.
???
Welk bevel ik hem ook gaf, hij ging aan mijn been kleven, staart tussen de benen.
???
Bang?
Bang.
Er was een keer tijdens de les een hond losgebroken van zijn baasje. Was het dat? Had hij ne schrik opgedaan?
Ik verliet (gegeneerd) de les met mijn clubkampioen.
Weekje tussen laten.
Hetzelfde.
Hetzelfde.
Niet meer naar de hondenschool. Thuis trainen.
Na twee maand nog een keer proberen maar … hetzelfde. BANG BANG BANG
Nu moest er iets gebeuren. Hij had duidelijk een angst opgedaan door die losgebroken hond, en die angst werd steeds opnieuw opgeroepen op het terrein, dus die associatie, daar moest iets mee gebeuren. Op naar de hondengedragsdeskundige.
We kwamen zo bij Geert De Bolster, die zelf een Italiaanse waterhond heeft, en vooral decennia (liefdevolle) belangstelling en ervaring met honden.
Zo liet hij ons Zeno begrijpen:
  • Zeno is een bange hond. Dat is een kwetsbaarheid eigen aan dit ras. Hij heeft er meer van dan Jul.
  • Een hond met een angst-kwetsbaarheid in een situatie brengen – steeds opnieuw – waar hij (aan de lijn dan nog wel, zodat hij zelf niet weg kan) vlakbij andere honden en mensen moet zijn, dat is zijn kwetsbaarheid – steeds opnieuw – belasten. Met behulp van eten (Italiaanse waterhonden eten héél graag) kan je hem – een tijdje – afleiden van die angst maar ondertussen blijf je hem blootstellen aan zijn kwetsbaarheid. Tot de emmer vol is.
  • ‘De angst afleren?’ Neenee, het is een angstige hond. Versterk de connectie met Zeno. Zorg ervoor dat hij zich meer verbonden voelt met jullie. In die connectie gaat Zeno een veiligheid ervaren en die kan een tegenwicht gaan vormen voor zijn angst-kwetsbaarheid. In de verbondenheid met jullie wordt hij minder rauw blootgesteld aan alle prikkels die hem potentieel alarmeren. Bescherm hem tegen en in situaties die zijn bedreigingssysteem activeren.
Dat zijn we gaan doen.
Opdat hij in vele vele concrete dingskes zou ervaren: die zorgen voor mij, die zorgen dat ik het goed heb, dat zijn mijn roedelgenoten, die brengen mij niet in gevaarlijke situaties. Die leiden me uit gevaarlijke situaties.
Dat blijven we doen.
We zorgen er bij voorbeeld voor dat we hem – aan de lijn – niet meer te dicht bij andere honden brengen.
Zeno loopt nu meer naast ons (ipv voor ons uit). Hij weet nu dat we er zijn. Hij loopt relaxt.
Honden en mensen waar hij vertrouwd mee geraakt is, die mogen dichter komen.
Hij doet er gewoon langer over eer hij ze een beetje vertrouwt.

Veld van kwetsbaarheid en zorg

‘dat zijn we gaan doen’
Dat klopt, maar
door het zo te zeggen wordt er iets grondig niet gezegd
Neem nu het wandelen met Zeno
stap stap stap trippel trippel trippel
Zeno trekt hard naar voor
de lijn strak
ik stop
lijn los
stap stap stap
trippel trippel
Zeno naast me
hij kijkt naar me
warm
synchroon stap trippel stap trippel stap trippel
stemmen, hij stopt, kijkt achter zich, strak (gevaar?)
ik sta stil
ik wacht
of verschijn weer even in zijn blikveld
weer samen op weg
stap trippel stap trippel stap trippel
In plaats van de opwindende doelen, ambities en verwachtingen
  • ‘een nieuwe Jul’
  • ‘de angst gaat overgaan’
  • ‘agility-kampioen’
komt er iets anders: een teder gevoel over wat we aan het doen zijn: hij en ik met zijn kwetsbaarheid, betrokken op elkaar.
In dat stappen, kijken, vele kleine beslissingen, rekening houdend met hem in de verschillende contexten waarin we komen,
in dat alles ben ik gaan denken dat er misschien nog iets aan het gebeuren is,
in dat veld van kwetsbaarheid en zorg,
iets met een Zeno in mij?
Vele Zeno’s in mij met hun verschillende kwetsbaarheden?
Tot wat voor zorg roepen ze me op?
Johan Van de Putte

fragiel-weten versus robuust-weten

Weten en toch niet, kunnen en toch niet, iets zijn en toch niet

Ik weet niet hoe we er op uitkwamen in het gesprek, het heeft me verrast, hij zei iets en ik herkende het of ik dacht het te herkennen:

dat je kennis en ervaring en vaardigheden hebt – je kan gitaar spelen of je bent psycholoog – en tegelijkertijd kan je er niet bij en het voelt jou vreemd aan…

… terwijl je dadelijk gaat musiceren met anderen. Of een gesprek aangaat met iemand die worstelt met het leven.

Een voorbeeld: binnenkort geef ik een workshop over narratieve therapie, ik heb dat al veel gedaan, met mooie feedback achteraf. Desalniettemin heb ik nu 0,0 voeling met wat tijdens zo’n workshop speelt aan knowhow, aan vaardigheden, aan manieren van omgaan met deelnemers, aan begeestering.

0,0.

Ander voorbeeld: ik ga een half uurtje mediteren. (Je moet weten: ik ben 30 jaar geleden begonnen met mediteren, en ik geef er bijna 20 jaar les in.) Toch: nú weet ik niet wat mediteren is, ik heb geen voeling met wat er dan gebeurt en met wat ik dan doe.

Bijgevolg vraag ik me af: hoe moet dat, dat mediteren? Les geven? Hoe doet een mens dat? Ga ik dat kunnen?
Het antwoord: ik weet het niet, ik hoop het.

(Heeft zoiets een naam?)

Zen mind, beginners’ mind

Aan dat niet-weten kleeft iets kwetsbaar. Het leven zou robuuster aanvoelen als je een bewustzijn van je weten en kunnen met je mee zou kunnen dragen. Je identiteit zou steviger aanvoelen.

Toen mijn gesprekspartner begon over zijn eigen vormen van fragiel-weten – dat is de naam! – drukte hij uit dat hij dit ervaarde als iets on-oké, dat het iets negatief zei over hem. Dat riep overweldigend een impuls bij me op om hier tegenin te gaan, om hem te bevestigen in zijn waarde. Niet uit medelijden of om snel-snel het ego-bloeden te stelpen. Nee, het idee floepte er bij me uit – met de pretentie van een diep overdachte gedachtegang – dat zijn fragiel-weten net goed past bij de diepgang die hem eigen is. Dat anderen daar jaren voor moeten mediteren, om tot die fragiele positie te komen. Om dat aan te durven.
Dat het een voorbeeld was van ‘zen mind, beginners’ mind’ en ‘In the beginner’s mind there are many possibilities, but in the expert’s there are few.’ (Dat komt uit een boek van een Japanse zenmeester)

Dat hij de werkelijkheid benadert met een beginners’ mind ipv een ‘ik ben A en ik kan B en ik weet C’ mind.

Dat ik zijn benadering van het leven open en onderzoekend vind, en dat die al kostbare dingen in zijn leven gebracht heeft (en dat van de mensen rondom hem).

Ik waardeer het als mensen een open, verkennende positie innemen ondanks alle kennis, ervaring en vaardigheden die ze verworven hebben.
Bv psycholoog zijn en dat proberen uitoefenen vanuit de vraag ‘maar wat betekent dat eigenlijk?’ en ‘wat betekent dat in deze situatie?’ en ‘kan ik met heel dat psychologengedoe hier wel iets betekenen?’

(Voorlopige conclusie: een fragiel besef van je vaardigheden/kennis kan samenhangen met een open ingesteldheid tov de wereld én dat is een kostbare positie)

De sterren

In de eerste jaren van mijn psycholoog-zijn droeg ik een robuuster soort overtuiging met me mee over wat ik zoal te bieden had als psycholoog. Mijn besef van de fragiliteit van wat ik te bieden heb is toegenomen in de loop der jaren.
Die evolutie van robuustheid naar fragiliteit is is het gevolg van confrontaties met de grote rol die context speelt.

Denk aan een therapeutisch gesprek en ‘het komt niet’. [Het = de juiste vraag, de heldere formulering, de goeie tip, …] Het komt niet omdat de context [= tijdstip / lichaam / emoties / plek / energie / ervaringen van eerder die dag / verwachtingen / en nog vele-vele andere factoren] het niet faciliteert.

Context – intern en extern – speelt (een grote rol).

(Eigenlijk ervaar ik die zogezegde vaardigheden en kennis ook als externe context, extern aan mijn actuele ervaring)

Als je X keer ervaren hebt hoe context stokken in de wielen van jouw potentieel steekt, krijg je een minder robuuste ervaring van die kennis en vaardigheden en van jezelf.

En als alles fantastisch liep? Dan was de workshop of de meditatie of het contact of het gitaar spelen heerlijk en jij was in goede vorm maar je weet ook dat de sterren gunstig stonden.

(Zó primitief was dat dus nog niet als mensen vroeger een kip of een geit offerden om de goden gunstig te stemmen. Zíj begrepen tenminste de rol van context.)

Aarzelend vertrouwen

Nog iets: als je met anderen te maken hebt, andere mensen, andere levens, dan weet je niet.
Je weet niet wie die ander is (zelfs al denk je dat je hem kent).
Je weet niet wat ze gaan doen.
Hoe ze gaat zijn.
Als je je wil betrekken op die anderen – bv om samen met hen muziek te maken (waar je vaardigheden in hebt, ergens) of om een goed gesprek te hebben (waar je vaardigheden in hebt, ergens) of om te dansen – dan ga je moeten aansluiten en je afstemmen, en het is de vraag of en hoe dat aansluiten en afstemmen gaat verlopen en hoe vaardigheden getriggerd gaan worden. Wat gaat dat geven?
Dat is onzeker terrein.

Met de mond vol tanden staan tegenover dat waar je niet op voorbereid was: dat maakt je vertrouwen op die vaardigheden en kennis van jou aarzelender, voorzichtiger.

(Ego)

(Ik moet denken aan een interview – jaren geleden – met een Nederlandse boeddhistische vrouw die een prijs gewonnen had voor bepaalde verdiensten. Ik herinner het me waarschijnlijk verkeerd maar ik dénk dat de interviewer haar vroeg of ze daar blij mee was. Ja, daar was ze blij mee. Hoe zat het dan met ego, is dat niet iets dat dan opspeelt als je zo’n prijs in ontvangst neemt? Mag je daar wel blij mee zijn als boeddhist? Moet je niet onthecht zijn? Dat vond ze niet. Ze was blij én/maar tegelijkertijd besefte ze hoe belangrijk rol van anderen geweest was in haar levensweg. Ze vertelde bv over de bijdrage van een oud-leerkracht in haar leven. Ze vergeleek de prijs met een ingelijst certificaat: aan welke nagel ga je die lijst hangen? Aan de ‘ik-nagel’? Hoe kan je dat doen als je beseft hoeveel factoren (oa mensen) een rol gespeeld hebben in al datgene dat tot het eerbetoon geleid heeft? Wie of wat is dan die ‘ik’ waar je de lijst aan gaat ophangen?

Ja, ze was héél blij en dankbaar met de prijs. Maar ze vond geen ik-nagel om die stevig aan op te hangen.

Ze maakte nog een vergelijking met zeepbellen: je blaast zeepbellen, ze zijn prachtig, het is heerlijk om te doen én je maakt je geen illusie over de robuustheid ervan.))

(Mijn kennis, mijn vaardigheden, ik?)

De prijs

Beginners’ mind.
Voor die open benadering (van meditatie, van je werk als psycholoog, van muziek, van anderen, van jezelf, van wat dan ook) betaal je een prijs: weg is het robuuste gevoel van je kunnen en je weten en zelfs weg is een robuuste ervaring van jezelf, van je identiteit.
In de plaats ervan: soms iets moois, soms niet.
Soms iets pijnlijk kwetsbaar, soms iets dankbaar.

Gevoelens die ook samenhangen met niet-meer-zo-stevig-weten: onzekerheid, angst en op de koop toe een slecht gevoel over wie je misschien maar bent.
Niet fijn.

Tips (voor mezelf)

“There is a teaching that says that behind all hardening and tightening and rigidity of the heart, there’s always fear. But if you touch fear, behind fear there is a soft spot. And if you touch that soft spot, you find the vast blue sky. You find that which is ineffable, ungraspable, and unbiased, that which can support and awaken us at any time.”
Pema Chödrön (boeddhistische non)

Mooi. Sfeervol. Romantisch.
Maar onzekerheid en angst voelen niet mooi en sfeervol aan. Eerder als sterven (denk ik).
Het leven – ook als je openheid waardeert – is ook een praktische aangelegenheid en dus stel ik de vraag:

Hoe ga je om met de onzekerheid die je bekruipt wanneer je weinig voeling hebt met je kennis en vaardigheden, of wanneer je vooral voeling hebt met het ongewisse van de situatie waar je je gaat in begeven?

Dit zijn enkele van de dingen die ik doe, ik schrijf ze op alsof ik mezelf tips geef:

  • Accepteer de onzekerheid die je voelt: ze is terecht.
  • Spreek uit wat je hoopt of verlangt: bv ‘ik zou graag enkele mensen bereiken met het idee dat ik koester dat …’ of ‘ik hoop dat ik iets kan betekenen voor hem’ of ‘ik ga proberen om enkele momenten aanwezig te zijn, dat zou mooi zijn’.
  • Schrijf met een dagboekachtige eerlijkheid je ervaring neer (inbegrepen de onzekerheden die je ervaart, inbegrepen wat je vreest of waar je je over schaamt).
  • Beweeg.
  • Blijf zoeken wat een goed proces is om hiermee om te gaan.

Conclusies

Herken je dit?
Gevoelens van onzekerheid die zich niet laten verjagen met de jaren en die overleven naast al je ervaring en competenties.
Die recht van bestaan hebben.
Die een andere kant zijn van een open en kwetsbare positie die je inneemt tegenover de ander en het andere.
Een soft spot.
Die werkbaar kan zijn.

Als je dit herkent, hoe ga jij ermee om?

Vriendelijke groeten,
Johan Van de Putte

Mediteren: maak het werkbaar

Mediteren, in de zin van oefenen om

met opzet een open aandacht op te brengen voor een bepaald type ervaringen in het huidige ogenblik,

is niet ingewikkeld maar ook niet makkelijk.
Dat ervaar je zo gauw je ermee begint.

Als je het wil doen, en er zijn hele goede redenen om dat te willen, maak het dan werkbaar voor jou.

Werk eraan, werk ermee, en werk er oa aan om het werkbaar te maken voor jou.

Er zijn steeds basisinstructies, zoals bv bij de Body Scan:

  • Breng je aandacht bij de lichamelijke gewaarwordingen (bv in je linkerdijbeen),
  • Probeer de aandacht voor die gewaarwordingen even aan te houden zodat je opmerkt wat er daar zoal gebeurt en voelbaar is,
  • Wanneer je door hebt dat je aandacht blijkbaar weggeweest is, benoem dit in gedachten als ‘denken’ en breng de aandacht vervolgens rustig terug naar de gewaarwordingen (en doe dat steeds opnieuw).

Hou je hier aan.
Ook aan de tijd die je voorzien had om te mediteren.
Ook als het (te) moeilijk is.

Maar doe ook alles om de basisinstructies werkbaar te maken, zoals

  • Beweeg je lichaam.
  • Raak het linkerdijbeen aan.
  • Benoem het (‘dijbeen’), in je hoofd of luidop.
  • Stel jezelf een vraag: ‘wat voel ik in …?’
  • Moedig jezelf aan: ‘Yes! Now we are talking!’ of ‘Ahaa!’

En experimenteer, experimenteer, experimenteer.

 

Nog iets om het werkbaar te maken:

Besef:
Mediteren is geen glad proces.
Mediteren verloopt in stukjes en beetjes. Aan en af. Start. Stop. Afwijking. Probleem. Er iets mee proberen doen. Staccato. Rommelig.

Je bent er een momentje bij. Je aandacht is ver weg. Terug. Je voelt ontevredenheid, frustratie. Je probeert er terug bij te geraken, bij die gewaarwordingen. Je voelt ze een beetje. Je voelt ze nog steeds maar je hoort ook de honden blaffen en je vraagt je af of er iemand aan de deur gebeld heeft. Het stopt. Oh ja, een uitademing. Voelt lekker. En dan die inademingsgewaarwordingen die erop volgen. Fijn. Je schouders beginnen wat vervelend aan te voelen. Je besluit om je armen even uit te rekken, dat doet deugd. Terug meer aandacht voor de ademhalingsgewaarwordingen. Kan ik er nog dichter bij komen? Even proberen. …

 

Denk niet aan een idyllisch landschap.
Denk niet aan een onverstoorbaar zittende Boeddha.
Denk aan een drukke kleuter.
Nee, denk aan een klas volle drukke kleuters. En jij bent de juf.
Nee, jij bent de klas drukke kleuters, én je bent de juf.
Je probeert het werkbaar te maken.

 

Johan Van de Putte

Mediteren op ambetante gevoelens

Dag X,

Ik weet dat je het nu moeilijk hebt in je leven. Toestanden die een mens niet even 1 2 3 kan oplossen.
Je vroeg me wat ik zou doen in jouw plaats.
Wil je dat echt weten?

Eigenlijk weet ik dat niet want dat weet je nooit.
Maar de kans is reëel dat ik een Pemaatje zou doen.
Da’s de naam die geef aan iets dat ik aanvoel als 1 ding maar als ik het moet uitleggen dan zijn het verschillende dingskes die samenhangen: een tros van ideeën en gevoelsdingen en praktijken.

Het is een van mijn favoriete manieren van doen bij shit die ik niet kan oplossen.
(‘Pemaatje’ omdat ik het link met Pema Chödrön, een boeddhistische non)

Het komt hier op neer:

Ik probeer te mediteren op de ambetante gevoelens die spelen.
Ik zoom in op die gevoelens/gewaarwordingen, ik stel me er aan bloot, ik laat ze doen en spelen in hun ups en downs, ik duik erin en zwem erin, ik laat ze me (pijnlijk) masseren en karnen en sudderen, ik laat ze me vullen, ik geef het streven op om me beter te voelen of om ‘het’ op te lossen. De pijnlijke gevoelens lossen mij op. Ze bijten en ik bijt niet terug.
Even. Nog eens even. En nog eens even. Vele eventjes.

De meditatie-technische dingetjes waar ik mijn toevlucht toe neem, als ik die expliciet op een rijtje zet, dan krijgen we dit:

  • Ik steek zo weinig mogelijk energie in denken over mogelijke oplossingen.
  • Ik steek zo veel mogelijk energie in voelen en ervaren.
  • Ik vraag me af:
    • wat gebeurt er nu in mezelf, in mijn lijf, in mijn beleving dat een pijnlijk reageren is op de toestanden die ik anders wil?
    • hoe voelt dit nu aan, eerlijk?
    • waar voel ik dat zoal?
  • Ik stel me de ambetante gevoelens voor als een soort levensenergie die zich manifesteert, waar niks verkeerd mee is – hoe oncomfortabel het ook is – en ik probeer me er op af te stemmen.

Wat gebeurt er wanneer je dit ongemakkelijke gevoel niet voedt met de intriges en verwikkelingen van je eigen verhaal? Wat gebeurt er wanneer je bij deze voortdurend veranderende, vloeiende universele energie blijft? En wat gebeurt er wanneer je jezelf onderbreekt en de natuurlijke beweging van het leven aanvaardt?
Pema Chödrön

  • Ik volg de ademhalingsgewaarwordingen als hulpmiddel: dat is een een bewegend lijfelijk ervaarbaar doelwit en terwijl ik de ademhalingsgewaarwordingen voel, ervaar ik tegelijkertijd de andere – onaangename – gewaarwordingen/emoties die op dat moment spelen.
  • Ik volg wat meer de uitademing dan de inademing. Zo geef ik mezelf steeds opnieuw een pauze: een beetje minder intens voelen, en dan weer een beetje intenser, een beetje minder aandacht en dan weer wat meer.
  • Ik voel het uitademen een beetje aan als een loslaten, als een duiken, een me laten zakken in iets. In dat wat op dat moment speelt (aan onprettige ervaringen).

Tijdens de uitademing ontspan je. Je laat los, opent je en geeft de hele situatie meer lucht. Maar erg lang kun je hier niet van genieten, omdat je bij de volgende inademing de pijn weer toelaat. Ook daar word je niet door bevangen. Je verdrinkt er niet in, omdat je vervolgens weer uitademt, jezelf opent, ontspant en een zekere mate van ruimte ervaart.
Pema Chödrön

  • Ik denk soms dat ik – door dit te doen – mijn brein op dat moment de boodschap geef: ‘dit is onaangenaam maar je moet niet bang zijn, het is niet gevaarlijk. Dit mag er gewoon even zijn.’
  • Ik denk soms: ‘Ook dit is leven. Dit. Dit wat er nu gebeurt. Dit hoort bij leven.’
  • Ik denk soms: ‘Wat ik nu ervaar, er zijn nog mensen die iets dergelijks nu aan het ervaren zijn.’ En dat troost een beetje. Ik ga niet zo ver als Pema Chödrön die dan visualiseert dat ze het lijden van al die mensen inademt en iets heilzaam of fijn uitademt naar hen. Dat zegt me niks. Dat is me teveel hocus-pocus of een beter mens proberen te worden en daar geloof ik niet in.
  • Ik doe dit niet te lang aan een stuk. Maar wel af en toe, als ik er aan denk, als de onaangename ervaringen mijn aandacht trekken.
  • Ik herinner me eraan dat het geen wedstrijd is in aandachtigheid: wanneer ik afgeleid geraakt ben, zeg ik in mezelf ‘denken’ – en ik zeg dat vriendelijk – en ik start gewoon opnieuw. Ik denk erbij dat enkele momenten van zo’n aandacht al heel mooi zijn.
  • Wanneer pijnlijke gedachten de kop opsteken, dan probeer ik er niet op door te gaan. In de plaats daarvan duik ik in de nare gevoelens/gewaarwordingen die samengaan met de pijnlijke gedachten.

Je zult je emoties moeten doorleven. Je zult ze tijdens de meditatie zelf toe moeten laten en erbij moeten blijven, zodat je kunt gaan beseffen hoe ze je in de weg zitten. Emoties zijn als de vloeibare, dynamische, levendige eigenschappen van water, maar wij bevriezen onze emoties door ze weg te duwen of we laten ze escaleren.
Pema Chödrön

  • Ik meng de onaangename ervaring soms met iets klein fijn: bv me even rekken, of even ontspannen. Het fijne dient niet om het onfijne weg te werken. Het is me te doen om iets vriendelijks in mijn systeem in te brengen.

Wat een hoop puntjes als ik het op een rijtje probeer te zetten!
Dat is dus een Pemaatje-doen.
Het lost niks op.
En toch is het me dierbaar. De alternatieven die ik geprobeerd heb, bleken meer nadelen te hebben.
Mijn favoriete dealing-with-shit benadering.
Misschien zou ik dat doen in jouw plaats.

Laat je me weten wat jij doet?

Groetjes,

Johan

Mediteren = Proberen

Er zijn enkele dingen die ik standaard doe bij een sessietje formeel mediteren..
Ik zet mezelf op een kussen.
Ik stel 30’ in op een timer.
Ik kijk schuin naar beneden (ik mediteer met de ogen open).
Ik denk even na over wat ik ga doen.
Ik neem me een aantal dingen voor (en ik denk die voornemens redelijk expliciet), zoals:

  • ‘ik ga proberen me vaak af te stemmen op de lijfelijke ervaringen’,
  • ‘ik ga ge-denk dat veel ruimte inneemt proberen opmerken, benoemen als ‘denken’ en dan opnieuw aansluiten bij mijn lijfelijke ervaringen van dat moment’ (ge-denk dat niet veel ruimte inneemt, dat laat ik gewoon doen terwijl ik me afstem op wat er te ervaren is),
  • ‘ik ga het relaxt doen, het is geen wedstrijd, het is geen examen, het heeft geen enkele meerwaarde om te scoren, integendeel, beter om af en toe quasi te genieten van het ervaren van wat er op dat moment te ervaren is’ (‘genieten’ in de zin van er een volle zintuiglijke ervaring van te hebben, niet in de zin dat het ‘fun’ is, zoals je kan genieten van kou zelfs al is de kou erg kou, of van stappen zelfs al ben je moe).

Soms mediteer ik een tijdje en heb ik het gevoel dat het niet zo bevredigend is als het al geweest is.
Er kan een gevoel zijn dat mijn concentratie wel erg flauwtjes is, dat mijn geest wel heel vaak afgeleid wordt, en misschien wel te lang.
Of het voelt niet lekker om een andere reden. Misschien speelt er iets vervelend door van voor de meditatie, of er is een onbehaaglijk gevoel dat samenhangt met iets dat ik anticipeer.
Of ik heb geen idee waardoor het komt maar het voelt gewoon niet lekker.
Soms is je ervaring gewoon helemaal niet fijn: ze voelt vreemd aan, onvertrouwd, te intens, ruw, rauw, psychedelisch, er blijft niets over van je gekoesterde zelfbeelden of van de dingen waar je op hoopt of van droomt, … : een eindeloze reeks mogelijke ingrediënten van een onaangename ervaring.

Ik heb bij onaangename ervaringen de voorbije week 2 nieuwe dingen uitgeprobeerd:

  • Ik heb elke keer even gedacht: ‘dit is ook leven’. Die gedachte beschermde me tegen de neiging van mijn geest om deze ervaringen te categoriseren als een tekort of een falen, wat een afstand creëert terwijl:

Bij meditatie gaat het erom dat je je lichaam, geest, thuissituatie, werk en de mensen in je leven ziet zoals ze werkelijk zijn. Het is belangrijk dat je ziet hoe je hierop reageert en dat je je emoties en gedachten direct, in het moment, waarneemt, terwijl je hier in deze kamer en op deze plek zit. Probeer ze niet te verjagen en beter te worden dan je bent, maar kijk precies en vriendelijk naar wat zich voordoet.
Chödrön, Pema. Liefdevolle vriendelijkheid

  • Ik zoomde vervolgens in op het lijfelijke van mijn ervaring én wanneer ik vond dat het wel erg onaangenaam aanvoelde, dat het een opgave was om erbij stil te staan en niet weg te vluchten, dan maakte ik het me een beetje extra comfortabel, bv door extra mee te gaan in een uitademing, of door me even uit te rekken, of door te beseffen dat ik niet zwaar hoef te lijden wanneer ik de moeite neem om even bij een onprettige ervaring te verwijlen.
    Nog iets dat er deze week uitsprong: normaal gezien blijf ik de hele sessie stil zitten maar deze week heb ik soms in de loop van de 30’ even de kathouding gedaan, een yogaoefening om mijn pijnlijke rug een beetje te soigneren.
    Dat waren de praktische vormen die ik gaf aan de intentie die ik me me meedraag om wat vriendelijkheid in te brengen in mijn ‘systeem’ net wanneer dat systeem wat verhardt, wanneer ik merk dat ik de ervaring aan het verbijten ben.

Zie waar je je schrap zet en vastklampt en besef: doordat ik mindfulness en tonglen beoefen en vanwege mijn algehele houding, is mijn hele leven – inclusief deze momenten – één grote ontwikkelingsweg waarop ik vriendschap leer sluiten met mezelf.

Chödrön, Pema. Liefdevolle vriendelijkheid

(Tonglen is een specifieke meditatiepraktijk, die ik overigens niet beoefen)

 

Johan Van de Putte

Is mediteren ‘zen’?

Is mediteren zen?
Voor mij is mediteren een soort werken.
Je werkt er de hele tijd aan om open te staan voor wat gebeurt.
Wanneer je bv de ademhalingsgewaarwordingen kiest als brandpunt van je aandacht, dan werk je eraan om dat voor elkaar te krijgen: de aandacht verbinden met die gewaarwordingen.

‘Hoe krijg ik dat nu voor elkaar?’, is de vraag dan.

‘Gegeven hoe ik er nu bij zit, hoe mijn lijf aanvoelt, hoe wakker of dof mijn geest is, hoe ik me voel, welke ervaringen nawerken of naar welke ervaringen ik reik of voor welke ervaringen ik terugdeins: hoe krijg ik dat nu voor elkaar?’

‘Hoe krijg ik dit voor elkaar, gegeven wat ik allemaal ga voelen en denken wanneer ik dat probeer?’

Het werken is ook: terwijl je de ademhalingsgewaarwordingen op het spoor komt en probeert te blijven je ook nog afstemmen op wat er zoal gebeurt en opkomt buiten die ademhalingsgewaarwordingen en wat binnen je aandachtsveld komt.

Dus een vraag is ook: ‘Hoe krijg ik het voor elkaar om wakker te zijn en open voor wat er gebeurt, een brommende vlieg aan het venster, de emotionele en mentale deiningen, de verbeeldingen, …?’

Die vraag, al die vragen blijf ik me stellen.
Dat mediteren dat ik nu al een half leven doe, elke keer opnieuw de vraag: ‘hoe moet dat nu weer?’
‘Oh ja, een beetje aandacht opbrengen voor ademhalingsgewaarwordingen, en dan ontdekken dat je helemaal in iets anders opgegaan bent en zonder veel gedoe de draad terug opnemen, en ondertussen opmerken wat er allemaal gebeurt. Dat is het.
Maar hoe gaan we dat nu voor elkaar krijgen?
Nu.
Nu.’

Voor mij is mediteren meer werken dan ontspannen.
Het is wel een goed werkske.
En er ís een link met ontspannen.

Deze aanpak is radicaal. Gevraagd wordt dat we ontspannen verblijven bij wat we ook ervaren. We worden aangemoedigd om de intriges en verwikkelingen van het verhaal dat wij zelf schrijven los te laten, eenvoudigweg stil te worden, aandachtig te kijken en adem te halen. Gewoon een paar seconden, minuten, uren, je leven lang, helemaal aanwezig zijn en verblijven bij de voortdurend veranderende energie in ons en bij de onvoorspelbaarheid van het leven dat zich ontvouwt. Volledig deelgenoot van alles wat zich voordoet, precies zoals het is.
Pema Chödrön

Maar dat is ook werken, dat ‘ontspannen verblijven bij wat we ook ervaren’.
Het vraagt moed.
Het gaat er niet om een toestand van volmaakte ontspanning na te streven maar dat we de moed opbrengen om te ervaren wat we ervaren. Dit vraagt van ons dat we ervaringen toelaten en tolereren, en de lichamelijke component van zo’n toelaten/tolereren is bv een beetje extra meegaan in het uitademen, of een beetje losser laten worden van schouders, of van armen, of van benen, … Ik ervaar dat als de lichamelijke vertaling van ‘oké, dit is dus nu gaande’, ‘dit is wat het huidige ogenblik te bieden heeft’, ‘ik stel me hiervoor open’.

Dat vraagt wat van je. Dit is niet een beetje dromen of lummelen. Je moet je kop erbij houden, en je lijf. Je moet een beetje moed opbrengen. Soms veel.

Ik vind het een goed werkske.
Soms voelt het goed terwijl je het doet.
Soms achteraf.
Het maakt het leven – die krankzinnige bedoening – een beetje werkbaarder.

Johan Van de Putte

Hoop en ongedierte

Een mens, prachtig.
Een mens, ongedierte.

Dat dacht ik op een avond, in de auto, terwijl ik in de Ferrerlaan in Gent reed, dichtbij het Van Beverenplein.
Die dag – of de dag ervoor – had ik een rijke ervaring gehad van een mens. Ik ervaarde iets prachtig in en van die mens. En dan, in mijn auto, had ik de ongedierte-gedachte en ik vond het grappig of spannend dat ik 2 zo erg ver van elkaar liggende menservaringen had.

Ongedierte want we planten ons maar voort, we verwoesten blind onze biotoop, we zijn bijlange geen slimme soort, met de regelmaat van de klok doen we afschuwelijke dingen en ik heb geen hoop dat het nog goed komt met ons.

Prachtig, dat ook. Op mijn 55 ben ik misschien nog meer voor ontroering vatbaar geworden. Ontroering door schoonheid, door een gebaar, door vriendelijkheid, door een gulp wijsheid die zich manifesteert.
Als ik in een van de boeken van Pema Chödrön iets lees als

Hierdoor ontwikkelen we het vertrouwen dat we over de kracht, ruimhartigheid en goedheid beschikken die nodig zijn om waardig en vriendelijk op onze dierbare en kostbare aarde te kunnen leven, ondanks alle landmijnen waar we kunnen op gaan staan.

dan wijs ik dat niet af als kleffe blabla, en heimelijk beoefen ik praktijken die zij beschrijft

Ik heb geen hoop.
Blijkbaar heb ik hoop.
Nietes.

Johan Van de Putte

Maar wie doet zoiets? Zo ver denkt toch niemand!?

Is het dan slecht, is het egoïsme, wanneer mensen proberen om in de positie waar ze zich bevinden, iets te doen wat goed is voor henzelf terwijl ze weten, zo schaad ik een ander? Maar wie doet zoiets? Zo ver denkt toch niemand!? … Kortzichtig … Onverschilligheid en kortzichtigheid.

Dat zegt Brunhilde Pomsel in de documentaire ’Ein deutsches Leben’.
Ze is dan 103 jaar oud.
Zij vertelt over haar leven in Duitsland voor en tijdens WO 2. Als meisje. Als ijverige jonge vrouw.

Maar ik was heel ijverig toen. Dat ben ik altijd geweest. Dat heb ik nog steeds. Dat ietwat Pruisische, dat plichtsbewuste. En ook dat onderdanige. Het begon al thuis, daar had je je ook al moeten voegen, anders was het misgegaan. En dat ging toen echt gepaard met een zekere strengheid.

Zo werkte ze bij meneer Bernblum, een Joodse procuratiehouder, bij meneer Goldberg, een Joodse verzekeringsmakelaar en jurist, bij meneer Bley, een nationaalsocialist, bij de radio, en ook … bij meneer Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda.

Ze reflecteert over haar leven in Nazi-Duitsland, en over zichzelf.
Je hoort in de ganse documentaire geen enkele vraag maar de hele tijd is daar toch die ene vraag: de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid van de Duitse burger en werknemer in de goed georganiseerde gruwelmachine van nazi-Duitsland.

Aber wer tut denn das? So weit denkt man doch überhaupt nicht!? … Kurzsichtig … Gleichgültigkeit und Kurzsichtigkeit.

Zo zegt ze het, bedachtzaam.

En zo komt bij mij iets binnen: hoezeer kortzichtigheid en onverschilligheid belangrijke factoren waren.
En zijn.
Niet enkel bij haar.
Ook bij ons.

De onverschilligheid bij de mensen, die we ook nu telkens weer zien. Dat we echt in staat zijn om steeds weer op tv aan te zien wat er aan gruwelijkheden in Syrië gebeurt, hoe daar honderden mensen verdrinken. En aansluitend volgt er dan een gezellig familieprogramma. Wij veranderen immers ook ons leven niet. Ik denk dat het in het leven gewoon zo gaat. Het betreft een ander, het gaat ons niet aan.

Ook bij mij.
Brunhilde Pomsel die het beste probeerde te maken van haar leven, die genoot van haar werk, haar collega’s, de goeie Berlijnse buurt waar ze woonde.
En ja, die vele dingen niet opmerkte, er haar ogen en hart wat gesloten voor hield.

(Ik die lekker aan het schrijven ben. Ik die ook mijn best doe om een beetje fatsoenlijk te zijn en te leven. En ja, die vele dingen niet opmerk, er mijn ogen en hart wat gesloten voor hou.)

Wir haben es nicht gewusst

Zo ver denkt toch niemand!?

‘Da’s een makkelijk excuus’, kan je smalend zeggen. ‘Die Duitsers alweer, met hun ‘Wir haben es nicht gewusst’. Jaja.’
Hoe vaak heb ik dat niet smalend gezegd.
Maar toch, heeft ze een punt?

Op mijn 12 heb ik ‘Uit naam van al de mijnen’ gelezen, het relaas van Martin Gray over zijn ervaringen als jood in het getto van Warschau en het vernietigingskamp Treblinka. Het was mijn eerste grote-mensen-boek. Een boek als een inslaande meteoor. Het bracht een scherp besef teweeg: niet enkel van de omvang van het onrecht tegen joden. Ik zag door het boek hoe kwetsbaar de ethiek van mensen is. Ik concludeerde dat de gruwel van de concentratiekampen niet had kunnen bestaan zonder het stilzwijgen, het niet-verhinderen, het collaboreren van velen.
Ik nam me voor om te proberen dit besef in mijn hart mee te dragen, en om te proberen zelf niet te collaboreren met systemen wanneer ze onrecht ‘produceerden’.
Nu ben ik er 55. Ik ben deze jonge-jongens-intentie nooit vergeten, ik ben er – bij momenten – trouw aan geweest, zelfs al moest daar een prijs voor betaald of een risico voor gelopen worden.
Maar die woorden van de 103-jarige Brunhilde Pomsel – ’onverschilligheid en kortzichtigheid’ – doen me ook denken aan momenten waar ik niet graag over denk.

Srebrenica

Ik ben in Sarajevo en Srebrenica geweest. Dat is niet zo heel ver van hier. Ik heb me proberen voorstellen hoe het moet voelen als jouw stad 3 jaar lang wordt belegerd, door scherpschutters beschoten, gebombardeerd (Sarajevo) terwijl je weet dat landen als Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Frankrijk, België, Nederland zo dichtbij liggen.
Of op het moment dat jij en duizenden andere jongens en mannen verzameld worden – onder de ogen van troepen van de vredesmacht – en je voelt aan alles dat het niet goed gaat aflopen (Srebrenica) … in Europa, 40 jaar nadat het Rode Leger Auschwitz binnentrok.
Rijke, vredige, beschaafde landen zo dichtbij.
‘Wanneer grijpen ze nu in!?’
Ze grijpen niet in.
Toch niet zo krachtdadig als scherpschutters, of Mladić.

Maar nu, nu ik lekker thuis ben, vermijd ik het om me voor te stellen hoe het moet zijn om op de vlucht te zijn, zoals zoveel mensen dat zijn. Als ik het even probeer, voel ik onrust, onbehagen, het vlies dat wat scheurt van de psychische cocon waarin ik graag verwijl, een gevoel van ‘maar wat kan ik doen?’

Wie in een goede buurt woonde, zoals ik, in een mooie buitenwijk, die zag dat niet. Je had natuurlijk buurten waar het armoe en ellende troef was en dat wilde je natuurlijk ook niet zien, zoiets zag je niet, daar keek je gewoon niet naar.

Ik vermijd om me voor te stellen hoe het moet zijn om op de vlucht te zijn. Als het vlies van mijn cocon wat scheurt, herstel ik het met een vermakelijk TV-programma of een todo-tje, met het bewustzijn van al wat gaande is in mijn leven. Zo herstel ik de onverschilligheid.

Het is geen gemene onverschilligheid, maar die van Brunhilde Pomsel was volgens mij evenmin gemeen.

Ik vraag me af: zou het goed zijn om mijn onverschilligheden op te merken, en het ongemak te voelen dat dan de kop opsteekt?
Zou het mooi zijn mochten we het er met elkaar over hebben, over waar we onverschillig voor proberen te zijn en te blijven?

Je wilde ook helemaal niet veel weten

Nog iets waar ik niet graag over nadenk. Soms dringt tot me door: ‘we gaan maar door met het verkloten van de aarde’. Dat beklemt me dan. Het besef dat mijn kinderen daar zwaar het gelag voor gaan betalen, dàt beklemt me nog veel meer. En hun kinderen, daar wil ik al helemaal niet over denken.
Maar ik sta daar niet lang bij stil en wanneer ik weer eens een vliegtuig ga boeken dan zal ik het gevoel dat ik mijn smerig steentje bijdraag tot dat verkloten begraven onder een fijn vooruitzicht.
-Ik kan toch geen verschil maken.
-Maar als iedereen zo denkt?
-Ik zie het niet zitten om een milieuactivist te worden.
-En dan doe ik maar niks?
-Wat moet ik doen?

Ik denk dat het Brunhilde Pomsel ook zo verging: momenten van besef maar niet in staat om er iets mee te doen. Niet weten hoe, niet durven, te moeilijk. Je maar richten op een zo prettig mogelijk leven.

Maar Joden werden toch opgehaald om de leegstaande boerderijen in het oosten te vullen. Aan het front is het erger, dachten we. En als ze in een KZ zou zitten, was ze in elk geval veilig. Niemand wist immers hoe het er daar aan toeging. Je wilde ook helemaal niet veel weten, je wilde jezelf niet onnodig extra belasten. Het was genoeg, sinds het met levensmiddelenvoorziening steeds slechter ging, moest je zelf het hoofd boven water zien te houden.

Vorige week keek ik naar de documentaire ‘Complicit.’ Dit leerde ik: Foxconn, een elektronicabedrijf, laat zijn werknemers producten gebruiken die leukemie en neurologische aandoeningen veroorzaken. En Foxconn is blijkbaar Apple’s hoofdleverancier.
Op dit moment ben ik aan het schrijven op mijn geliefde macbook, in mijn broekzak zit mijn iphone, gisterenavond heb ik hartstochtelijk genoten van het boek ‘Leven & Lot’ van Vassili Grossman op mijn geliefde Kindle, geproduceerd door … Foxconn.
Vervelende documentaire, niet goed voor mijn cocon. Had ik hem maar niet gezien.

Ik behoor tot de laffen

Zelf kon ik ook geen verzet bieden. Ik ben laf, ja, ik kon geen verzet bieden. Ik durfde het niet. Ik zou gezegd hebben: ‘Nee, ik kan het niet.’ Ik behoor tot de laffen.’

Mooi vind ik dat, dat ze dat zegt: ‘Ik behoor tot de laffen’. Mooi want eerlijk en dat iemand dat gewoon zegt. Dat hoor je niet vaak. Daar is een beetje moed voor nodig.
Dan denk ik: ‘Johan, hoe zit dat bij jou? Waar zitten jou lafheden?’
Snuffelen naar lafheid in mijn leven.
Ik ruik het hier en daar.

Zou het goed kunnen zijn om mijn lafheden op te merken?
Zou het mooi zijn mochten we het er met elkaar over hebben, over momenten dat we laf (geweest) zijn, dat we die kunnen onderzoeken?

Johan Van de Putte

PS

  • Er is een boek met het ganse interview met Brunhilde Pomsel (en een uitgebreide reflectie erop door Hansen): ‘Een Duits Leven‘. En in het Duits: ‘Ein Deutsches Leben‘.
  • Martin Gray kan je hier zien.

Daarstraks mediteerde ik.

Ik zit op mijn kussen.
Het is een beetje koud.
Ogen open en het ademen voelen.
In en uit.
Vooral uit.
Ogen gericht op de grond, op 1,5 meter.

‘Denken’ denken bij het gevoel dat ik weggeweest ben.
En dan terug meer het ademende lijf voelen.
‘Denken’ bij het besef van weggeweest te zijn.

Soms blijft een spoor over van wat mijn aanwezigheid deed verdwijnen.
Soms speelt dat verder.
Laat ik het verder spelen.
Ik laat de verbeelding het ondersteunen en terwijl het doet en denkt en voelt, ben ik heel stilletjes.
Ik voel ondertussen het lichaam meedeinen en meedoen met het ademen.
Denken, voelen, verbeelden, doen, deinen en ademen en lijf en bewegen.

Een auto rijdt voorbij.
Uit.
Vasttapijt. Kleur. Stoelen. Kistje. Stenen.
Uit.

Mediteren.
Minder vermoeiend dan het andere.
Dan dat psychedelische.