Maar wie doet zoiets? Zo ver denkt toch niemand!?

Is het dan slecht, is het egoïsme, wanneer mensen proberen om in de positie waar ze zich bevinden, iets te doen wat goed is voor henzelf terwijl ze weten, zo schaad ik een ander? Maar wie doet zoiets? Zo ver denkt toch niemand!? … Kortzichtig … Onverschilligheid en kortzichtigheid.

Dat zegt Brunhilde Pomsel in de documentaire ’Ein deutsches Leben’.
Ze is dan 103 jaar oud.
Zij vertelt over haar leven in Duitsland voor en tijdens WO 2. Als meisje. Als ijverige jonge vrouw.

Maar ik was heel ijverig toen. Dat ben ik altijd geweest. Dat heb ik nog steeds. Dat ietwat Pruisische, dat plichtsbewuste. En ook dat onderdanige. Het begon al thuis, daar had je je ook al moeten voegen, anders was het misgegaan. En dat ging toen echt gepaard met een zekere strengheid.

Zo werkte ze bij meneer Bernblum, een Joodse procuratiehouder, bij meneer Goldberg, een Joodse verzekeringsmakelaar en jurist, bij meneer Bley, een nationaalsocialist, bij de radio, en ook … bij meneer Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda.

Ze reflecteert over haar leven in Nazi-Duitsland, en over zichzelf.
Je hoort in de ganse documentaire geen enkele vraag maar de hele tijd is daar toch die ene vraag: de vraag naar schuld en verantwoordelijkheid van de Duitse burger en werknemer in de goed georganiseerde gruwelmachine van nazi-Duitsland.

Aber wer tut denn das? So weit denkt man doch überhaupt nicht!? … Kurzsichtig … Gleichgültigkeit und Kurzsichtigkeit.

Zo zegt ze het, bedachtzaam.

En zo komt bij mij iets binnen: hoezeer kortzichtigheid en onverschilligheid belangrijke factoren waren.
En zijn.
Niet enkel bij haar.
Ook bij ons.

De onverschilligheid bij de mensen, die we ook nu telkens weer zien. Dat we echt in staat zijn om steeds weer op tv aan te zien wat er aan gruwelijkheden in Syrië gebeurt, hoe daar honderden mensen verdrinken. En aansluitend volgt er dan een gezellig familieprogramma. Wij veranderen immers ook ons leven niet. Ik denk dat het in het leven gewoon zo gaat. Het betreft een ander, het gaat ons niet aan.

Ook bij mij.
Brunhilde Pomsel die het beste probeerde te maken van haar leven, die genoot van haar werk, haar collega’s, de goeie Berlijnse buurt waar ze woonde.
En ja, die vele dingen niet opmerkte, er haar ogen en hart wat gesloten voor hield.

(Ik die lekker aan het schrijven ben. Ik die ook mijn best doe om een beetje fatsoenlijk te zijn en te leven. En ja, die vele dingen niet opmerk, er mijn ogen en hart wat gesloten voor hou.)

Wir haben es nicht gewusst

Zo ver denkt toch niemand!?

‘Da’s een makkelijk excuus’, kan je smalend zeggen. ‘Die Duitsers alweer, met hun ‘Wir haben es nicht gewusst’. Jaja.’
Hoe vaak heb ik dat niet smalend gezegd.
Maar toch, heeft ze een punt?

Op mijn 12 heb ik ‘Uit naam van al de mijnen’ gelezen, het relaas van Martin Gray over zijn ervaringen als jood in het getto van Warschau en het vernietigingskamp Treblinka. Het was mijn eerste grote-mensen-boek. Een boek als een inslaande meteoor. Het bracht een scherp besef teweeg: niet enkel van de omvang van het onrecht tegen joden. Ik zag door het boek hoe kwetsbaar de ethiek van mensen is. Ik concludeerde dat de gruwel van de concentratiekampen niet had kunnen bestaan zonder het stilzwijgen, het niet-verhinderen, het collaboreren van velen.
Ik nam me voor om te proberen dit besef in mijn hart mee te dragen, en om te proberen zelf niet te collaboreren met systemen wanneer ze onrecht ‘produceerden’.
Nu ben ik er 55. Ik ben deze jonge-jongens-intentie nooit vergeten, ik ben er – bij momenten – trouw aan geweest, zelfs al moest daar een prijs voor betaald of een risico voor gelopen worden.
Maar die woorden van de 103-jarige Brunhilde Pomsel – ’onverschilligheid en kortzichtigheid’ – doen me ook denken aan momenten waar ik niet graag over denk.

Srebrenica

Ik ben in Sarajevo en Srebrenica geweest. Dat is niet zo heel ver van hier. Ik heb me proberen voorstellen hoe het moet voelen als jouw stad 3 jaar lang wordt belegerd, door scherpschutters beschoten, gebombardeerd (Sarajevo) terwijl je weet dat landen als Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Frankrijk, België, Nederland zo dichtbij liggen.
Of op het moment dat jij en duizenden andere jongens en mannen verzameld worden – onder de ogen van troepen van de vredesmacht – en je voelt aan alles dat het niet goed gaat aflopen (Srebrenica) … in Europa, 40 jaar nadat het Rode Leger Auschwitz binnentrok.
Rijke, vredige, beschaafde landen zo dichtbij.
‘Wanneer grijpen ze nu in!?’
Ze grijpen niet in.
Toch niet zo krachtdadig als scherpschutters, of Mladić.

Maar nu, nu ik lekker thuis ben, vermijd ik het om me voor te stellen hoe het moet zijn om op de vlucht te zijn, zoals zoveel mensen dat zijn. Als ik het even probeer, voel ik onrust, onbehagen, het vlies dat wat scheurt van de psychische cocon waarin ik graag verwijl, een gevoel van ‘maar wat kan ik doen?’

Wie in een goede buurt woonde, zoals ik, in een mooie buitenwijk, die zag dat niet. Je had natuurlijk buurten waar het armoe en ellende troef was en dat wilde je natuurlijk ook niet zien, zoiets zag je niet, daar keek je gewoon niet naar.

Ik vermijd om me voor te stellen hoe het moet zijn om op de vlucht te zijn. Als het vlies van mijn cocon wat scheurt, herstel ik het met een vermakelijk TV-programma of een todo-tje, met het bewustzijn van al wat gaande is in mijn leven. Zo herstel ik de onverschilligheid.

Het is geen gemene onverschilligheid, maar die van Brunhilde Pomsel was volgens mij evenmin gemeen.

Ik vraag me af: zou het goed zijn om mijn onverschilligheden op te merken, en het ongemak te voelen dat dan de kop opsteekt?
Zou het mooi zijn mochten we het er met elkaar over hebben, over waar we onverschillig voor proberen te zijn en te blijven?

Je wilde ook helemaal niet veel weten

Nog iets waar ik niet graag over nadenk. Soms dringt tot me door: ‘we gaan maar door met het verkloten van de aarde’. Dat beklemt me dan. Het besef dat mijn kinderen daar zwaar het gelag voor gaan betalen, dàt beklemt me nog veel meer. En hun kinderen, daar wil ik al helemaal niet over denken.
Maar ik sta daar niet lang bij stil en wanneer ik weer eens een vliegtuig ga boeken dan zal ik het gevoel dat ik mijn smerig steentje bijdraag tot dat verkloten begraven onder een fijn vooruitzicht.
-Ik kan toch geen verschil maken.
-Maar als iedereen zo denkt?
-Ik zie het niet zitten om een milieuactivist te worden.
-En dan doe ik maar niks?
-Wat moet ik doen?

Ik denk dat het Brunhilde Pomsel ook zo verging: momenten van besef maar niet in staat om er iets mee te doen. Niet weten hoe, niet durven, te moeilijk. Je maar richten op een zo prettig mogelijk leven.

Maar Joden werden toch opgehaald om de leegstaande boerderijen in het oosten te vullen. Aan het front is het erger, dachten we. En als ze in een KZ zou zitten, was ze in elk geval veilig. Niemand wist immers hoe het er daar aan toeging. Je wilde ook helemaal niet veel weten, je wilde jezelf niet onnodig extra belasten. Het was genoeg, sinds het met levensmiddelenvoorziening steeds slechter ging, moest je zelf het hoofd boven water zien te houden.

Vorige week keek ik naar de documentaire ‘Complicit.’ Dit leerde ik: Foxconn, een elektronicabedrijf, laat zijn werknemers producten gebruiken die leukemie en neurologische aandoeningen veroorzaken. En Foxconn is blijkbaar Apple’s hoofdleverancier.
Op dit moment ben ik aan het schrijven op mijn geliefde macbook, in mijn broekzak zit mijn iphone, gisterenavond heb ik hartstochtelijk genoten van het boek ‘Leven & Lot’ van Vassili Grossman op mijn geliefde Kindle, geproduceerd door … Foxconn.
Vervelende documentaire, niet goed voor mijn cocon. Had ik hem maar niet gezien.

Ik behoor tot de laffen

Zelf kon ik ook geen verzet bieden. Ik ben laf, ja, ik kon geen verzet bieden. Ik durfde het niet. Ik zou gezegd hebben: ‘Nee, ik kan het niet.’ Ik behoor tot de laffen.’

Mooi vind ik dat, dat ze dat zegt: ‘Ik behoor tot de laffen’. Mooi want eerlijk en dat iemand dat gewoon zegt. Dat hoor je niet vaak. Daar is een beetje moed voor nodig.
Dan denk ik: ‘Johan, hoe zit dat bij jou? Waar zitten jou lafheden?’
Snuffelen naar lafheid in mijn leven.
Ik ruik het hier en daar.

Zou het goed kunnen zijn om mijn lafheden op te merken?
Zou het mooi zijn mochten we het er met elkaar over hebben, over momenten dat we laf (geweest) zijn, dat we die kunnen onderzoeken?

Johan Van de Putte

PS