Buiten de oevers

Enkele fragmenten uit mijn dagboek

(Ik werk voor een team dat mensen thuis opzoekt.)
Dit schreef ik deze week, na enkele bezoeken:
contact met nora
is mijn positie dat ik me open probeer te stellen voor haar, in haar wereld, als eigen universum?
hoop ik dat door dat te doen iets goeds voortkomt?
vandaag bijvoorbeeld  ervaart ze misschien iets appreciatiefs en accepterend van haar
misschien maakt dat dat ik op een ander moment een impuls kan geven die een goed effect heeft
ik geef terug dat ze […]
[…]  = beetje kwetsbaar maar wellicht iets van tweerichtingsachtigheid, hopelijk validerend van haar basic waarde als mens
[…] het roept het beeld op van een bloem die zich opent naar het licht: de ander is het licht
gaat het over een beweging van dichtbij, nabij komen met een verlegenheid (bij mij toch) met een energie van iets zorgzaams, de ander goeie dingen gunnen en een zekere raakbaarheid?
Na een volgend, heftig bezoek, dacht ik terug aan deze gedachten van de bloem en van de beweging van nabij komen.
Ik vroeg me af of ze me ondersteund hadden om in contact te blijven met Rob.

Twee zinnetjes

Ik lees teksten van Jacques Derrida. Traag. Ik zoek elk woord op dat ik niet ken.
(Dat zijn er veel.)
Gisteren las ik in Hospitalité II:
Aborder Autrui dans le discours, c’est accueillir son expression où il déborde à tout instant l’idée qu’en emporterait une pensée. C’est donc recevoir d’Autrui au-delà de la capacité du Moi;
Een citaat van Levinas uit Totalité et Infini.
Het raakte me.
Ik vertaal onhandig, zonder veel pretentie, in brokjes:
De Ander (be)naderen – de Ander naderbij komen – de Ander nabij komen
in het spreken – in wat die zegt
dat is ontvangen aanvaarden onthalen
zijn uitdrukken – zijn uitdrukking
waar die buiten de oevers treedt
op elk ogenblik
van het idee dat een gedachte ervan in de wacht zou slepen.
Het is dus ontvangen van de Ander
boven het vermogen van het Ik .

Buiten de oevers

Het gaat traag maar ik blijf Derrida lezen.
Ik durf niet zeggen dat ik veel begrijp.
(‘Begrijpen’ in de zin dat ik erin slaag om wat hij schrijft te demonteren in stukjes idee of begrip die mij vertrouwd zijn. ‘Begrijpen’ in de zin van het onvertrouwde brengen in vertrouwde begrippen of manieren van begrijpen.)
Deze 2 zinnen treden ook buiten de oevers van mijn begrijpen.
Toch ben ik gehecht geraakt aan dit lezen.
Soms schudt het me door elkaar, op een fijne manier.
Nu was dat ook zo.

Het laten barsten van de grenzen van het zelf

In de notities onderaan staat dat Jacques Derrida tijdens het seminarie zei:
Ce qui s’ annonce ici, c’est une hospitalité qui ne consiste pas à donner ce qu’on a, en tout cas à excéder, à faire craquer les limites du moi, à faire que ce qu’on reçoit est plus grand que soi. Il n’y a pas d’hospitalité si on ne se laisse pas déborder par l’autre.
Ik vertaal:
Wat hier wordt aangekondigd is een gastvrijheid die niet bestaat in het geven van wat men heeft, maar die in ieder geval bestaat in het overschrijden, in het laten barsten van de grenzen van het zelf, in zo doen dat wat men ontvangt groter is dan zichzelf. Er is geen gastvrijheid als we ons niet laten overstromen door de ander.
Johan Van de Putte

ankermeditatie

De ervaring van ademhalingsgewaarwordingen geniet in het traditionele meditatielandschap een belangrijk plaats als focus.
In ‘frame by frame’ – een soort vervolgcursus op een klassieke mindfulnesscursus (genre MBSR of MBCT) – suggereert Mark Williams om vooral je (potentieel erg onrustige) geest te helpen om iets van stabiliteit te vinden.
Hij stelt voor om steeds te zoeken waar je je aandacht het gemakkelijkste kan aan verankeren:
  • de voeten?
  • het contact van je lichaam met waar je op zit of ligt?
  • de handen?
  • het ademen?
  • het lichaam als geheel?
  • geluiden?
  • visuele dingen?
  • een combinatie?
Je neemt je tijd om die mogelijke ankers wat te verkennen, en dan merk je wel wat jou op dat ogenblik goed afgaat.
Wat dan een anker kan zijn om je steeds actieve brein wat mee te verbinden.
Daar kan je aandacht steeds opnieuw terug naar toe brengen (zonder haast én met begrip voor het eindeloze werken van ons brein).
Heen en weer.
Als een bootje dat voor anker ligt in een woelige zee.
Vriendelijke groeten,
Johan Van de Putte

Spreken, kiezen en spurtjes: pit in het mediteren

Door te spreken, door te kiezen en door korte spurtjes te doen, breng je pit in je meditatiepraktijk.

Spreek

Het wordt niet veel gezegd.
Vandaar: Praat tegen jezelf tijdens je meditatie. Begeleid jezelf.
Op wat gaan we nu focussen? De adem? Oké.
Geef jezelf af en toe een instructie.
Nu de geluiden!
Benoem iets dat je opmerkt.
Het zonlicht door die bladeren…
Mijn blaas zit vol.
Mijn hoofd is druk.
Zo ondersteun je je geest.
Door iets te benoemen verschijnt het iets beter in focus.

Kiezen

Maak andere keuzes dan de audio-instructies die je beluistert of dan wat je oorspronkelijk plan was.
Nu opstaan, een beetje stappen en lijf voelen.
Zo ben je er terug bij.
Weg van passief volgen.
Kiezen.

Spurtjes

Kies korte uitdagingen.
Tot aan die paal ga ik letten op mijn benen.
En nu, tot aan die boom ginder, breed kijken.
Dit helpt om er goed bij te blijven: je mobiliseert wat je aan geesteskracht hebt om dit rare maar goede werk te doen: zelf de aandacht richten ipv het ‘default mode network’ ongebreideld laten sturen.
Johan Van de Putte

heel stilletjes

Eén aspect van het mediteren dat ik doe is:
het heel stilletjes maken.
Geen geluid maken.
Zodat ik het ademen kan ‘horen’.
Horen tussen aanhalingstekens.
(Het is niks auditief. Ik hoor de adem niet zonder aanhalingstekens.)
Ik kan het niet anders zeggen: heel stilletjes en luisteren naar het ademen.
Is het er?
Waar?
Wat doet het?
Gelijk een nachtdiertje dat je niet wil doen schrikken door er een sterke lamp op te richten of door er stampvoetend naartoe te gaan.
Je wil niet interfereren.
Ja.
Daar is het.
Spannend.
Zo’n levend wezen.
Een heel eigen wezentje.
Wat is dat wat ik stiller maak?
Wat is het stampvoetende stappen?
Wat is de straffe lamp?
Wat is het leven van dat beestje?
Wat komt er als je het een beetje gade slaat zonder het op te schrikken?
Johan Van de Putte

het ademen én het andere

Ik doe het soms zo:
heel stilletjes speur ik naar sporen van het ademen dat zich in en aan mijn lijf ontwikkelt.
(en daarbij meer of minder ook andere sporen van lijfelijk leven, zoals gewicht of compactheid of het kloppen van hart.)
Daar is het!
Dat is een beetje spannend.
Alsof je een dier gadeslaat.
Je wil het niet doen schrikken.
Het is een beetje wonderlijk ook.
Spannend.
Wonderlijk.
Ook eenvoudig: gewoon dat ademen, gewoon dat hart, gewoon dat gewicht.
(Wat een opluchting is dit.)
En.
Dan.
Is.
Er.
Ook.
Dat.
Andere.
Dan ervaar ik – dankzij dat, in contrast met dat – het andere:
alles wat niet dat ademen is.
Dat wat vaak onmogelijk te benoemen valt.
Ja, je kan spreken over ‘gejaagdheid’.
Bij voorbeeld.
Maar de ene ervaring van gejaagdheid is de andere niet.
De ene ervaring die je ‘gejaagd’ zou kunnen noemen is één universum.
De andere is een heel ander universum.
Maar bon, gejaagdheid dus.
Ademen waarnemen.
Gejaagdheid ervaren.
Daar gebeurt het ademen.
En dat is gejaagdheid.
Dat is interessant:
het ene, én het andere.
Die twee.
Wat meer het ene.
Wat meer het andere.
De twee.
(Niet het ademen om het andere te onderdrukken)
Johan Van de Putte

Mediteren is een woord

Mediteren is een woord.
Maar als jij zegt ‘ik mediteer’, dan weet ik niet wat je bedoelt.
Ik weet zelfs niet wat ik er zelf mee bedoel als ik zeg ‘ik mediteer’.
Gisteren bij voorbeeld.
Ik heb gemediteerd.
Maar onder de paraplu van die uitspraak: wat heb ik gedaan?
Ik zat.
Op een stoel.
Ik zat redelijk rechtop.
Ik zat niet muisstil.
Ik was tamelijk beweeglijk.
Er me van bewust dat ik vroeger dacht dat dat niet goed was, dat mediteren beter was als je je lijf stil liet zitten.
Beseffend dat ik dat niet meer geloof.
Dat het beter is dat ik beweeg.
Ik zocht regelmatig het ademen op met mijn bewustzijn.
Maar het was niet mijn ambitie om een hoog percentage te scoren van adem-aandacht.
Dat is anders geweest.
Ik wou vooral wat waken.
Het gaat om wachten en waken, niet om grijpen en begrijpen.
Ton Lathouwers
Waken bij wat er leefde aan onbehaaglijkheden, ongemakkelijke sferen of energieën of levensvormen.
(Hoe moet je zoiets noemen?)
Waken in de zin van er met mijn kop en lijf en hart bij proberen zijn.
Ik ben er aan begonnen vanuit een soort zorg.
Zorg voor dat stuk leven dat een mens ‘mezelf’ noemt.
Ik was gaan intuïtie-voelen dat het goed zou zijn om een beetje te waken bij mezelf.
Dat ik beter niet verder bleef rondlopen in een steeds meer opgespleten toestand: onbehaaglijke ervaring aan de ene kant en daar willen aan ontsnappen aan de andere kant.
Iets verkrampt.
Dus: erbij gaan waken.
Als ik me tezeer ging focussen op het ademen, dan zou dat gaan dienen als ontsnapping.
Ik heb af en toe opzettelijk gedacht aan iets om het onbehaaglijke terug wat leven in te blazen.
En even af en toe andere dingen onderzocht.
Zoals een inademing.
Een uitademing.
Het geluid van een voorbij rijdende auto.
Iets bekeken.
Iets bewogen.
Als je heel stil probeert te zitten, dan is er een kans dat er een soort indommelen plaats gaat vinden.
De stress die gecreëerd wordt door de dwang-tot-stilzitten, het organisme dat je bent zoekt dan ev een uitweg, denk ik.
Een soort verdoving.
Ik wou het niet ingewikkeld maken.
De hele tijd proberen inzoomen op het onbehaaglijke, dat is het ook niet.
Dat wordt dan iets anders dan waken.
Het moet een beetje heen en weer gaan.
Nu wat meer het onbehaaglijke.
Dan wat het andere.
Soms vergeet je het onbehaaglijke.
Dan is het er weer.
Dat is een goed proces.
Waken.
Dat was het belangrijkste.
Johan Van de Putte

Mediteren is mixen

Het mediteren dat ik doe is een soort mixen, of het toelaten van een soort mixen.
Er is dát waar ik met opzet op focus, zoals een bewustzijn van ademhalingservaringen of van lijfelijke gewaarwordingen (bv door licht te bewegen).
Dat is 1.
En dan is er alles wat daartussen, daardoor, eroverheen, in de plaats komt, wat je net kan opmerken omdat je die eerste focus probeert te nemen (wat – als het goed gaat – steeds opnieuw mislukt).
(Mediteren is dan ook steeds ‘ook mislukken’.)
Dat is 2.
Dat ‘daartussen, daardoor, eroverheen, in de plaats’, dat merk ik dan op.
Ik ga er niet te lang op door.
Opnieuw naar de focus.
Altijd opnieuw.
Dat is 1.
En steeds even opnieuw al dat andere dat zich laat ervaren.
Dat is 2.
Dat andere, dat is van het leven.
Van mij.
(van dat wat ik ‘mij’ noem)
(maar wat bedoelt een mens daar eigenlijk mee, ‘mij’, want veel daarvan voelt ook vreemd genoeg aan om het ‘iets anders dan mij’ te kunnen noemen)
Een sfeer.
Een gedachte.
(dat wat we een ‘gedachte’ noemen)
(maar wat voor radicaal verschillende gebeurtenissen en verschijnselen en rampen en hallucinaties en uitstortingen worden ‘gedachte’ genoemd!?)
Een of andere werkelijkheid.
Het is 2.
Tijdens dat mediteren raakt dat mij aan.
Ik raak het aan met een beetje bewustzijn of tasten.
Weer naar iets ademachtig. Lichaam.
Proberen me erop af te stemmen.
Dat goed proberen doen.
Het vraagt een zekere moeite.
Opdat dat andere kan opgemerkt en aangeraakt kan worden.
Opdat dat me kan aanraken.
Dat is het mixen.
Het ene.
Het andere.
Proberen niet gevangen te geraken in een ‘het goed proberen doen’.
Me bevrijden wanneer ik door krijg dat ik ‘het goed probeer te doen.’
Ik herinner me dan soms aan dit: het gaat erom het wat proberen uithouden met mezelf.
(wat ‘mezelf’ ook is)
Het proberen uithouden met het leven zoals het zich die minuten voordoet, op mijn stoel, op mijn kussen.
Ik word er geen beter mens van.
Maar er is iets oké aan.
Johan Van de Putte

Het Z-woord

[Als je liever luistert naar dit artikel, dan klik dan HIER]
Zelfzorg, dat is een woord dat ik de laatste maanden vaak gebruik (enkel in gesprek met mezelf, in mijn dagboek). Ik gebruik het en ik ben er dan tegelijkertijd gegeneerd over en eens opgeschreven wend ik me er snel van af. Het is geschreven, nu snel over naar het volgende.
Ik gebruik het omdat ik geen alternatief ken maar er kleeft een associatie aan die ik niet graag heb.
Ik associeer het met een wijzende vinger, met gezondheidsdictatuur, dat je gezond moet zijn, dat dat het belangrijkste is en dat zelfzorg dus een plicht is. Het houdt in dat je genoeg beweegt want dat maakt je weerbaar, dat je mediteert want dat is goed tegen de depressie, dat je dankbaar bent want dat is goed voor de bloeddruk, …
Zelfzorg dus. Brrr.
Brr tegen het woord.
Niet tegen ….
Zondag voelde ik dat ik niks of niks in aanraking wou komen met online-igheden. Geen mail. Geen internet. Niks van dat soort prikkels.
Ik gunde mezelf een bepaald gevoel, sfeer, klimaat. Online-prikkels zouden dat verpesten.
Ik gunde het me én ik ging er voor zorgen ook.
Dat gaf onmiddellijk iets, dat ‘gunnen’ gecombineerd met daadkracht.
Plus dat ik besefte waar ik aan ging ontsnappen.
Opluchting over wat me bespaard ging blijven, die dag, nl het gif dat je binnen krijgt wanneer je de sluizen van online-kanalen open laat staan.
De opluchting – dàt gaat niet gebeuren, ik ga dat niet laten gebeuren – en het vriendelijke dat ik voelde, de dankbaarheid jegens mezelf.
Dat iemand dat voor je doet … Zo lief!
Hoe moet je dat noemen, zo’n daad? Zelfzorg? Brr … Het Z-woord.
(Ik hou wel van ‘care’, zoals in ’take care’, daar heb ik lieve associaties bij) (maar ‘going into care’ heeft dan weer heel nare associaties voor veel mensen)

Zeno

Zeno is in ons gezin gekomen toen hij zo’n 7 weken oud was.
Een vreemd wezentje vol leven.
Een Italiaanse waterhond.
Gelijk onze Jul, onze slimmelievestabielezorgzame roedelgenoot.
Vanaf zijn 3 maand gingen we met Zeno 2 keer per week naar de hondenschool.
Daar bleek hij een beetje angstig voor andere honden en mensen maar hij was dan weer de dapperste met behendigheidstuigjes.
Als hij oud genoeg was, zou hij misschien agility kunnen gaan doen. ‘Goed voor het zelfvertrouwen’, vertelde een kenner me.
Leuk perspectief.
Dan werd hij eerste op het clubkampioenschap! (in de jongste categorie weliswaar)
En: hij deed het altijd goed bij de proeven om naar een hogere categorie te gaan!
Ik transformeerde in een hondentrainingsfanaat. Wie weet hadden we hier wel een kampioen!?
Tot …
Tot de dag dat hij niet meer deed wat ik hem zei.
???
Welk bevel ik hem ook gaf, hij ging aan mijn been kleven, staart tussen de benen.
???
Bang?
Bang.
Er was een keer tijdens de les een hond losgebroken van zijn baasje. Was het dat? Had hij ne schrik opgedaan?
Ik verliet (gegeneerd) de les met mijn clubkampioen.
Weekje tussen laten.
Hetzelfde.
Hetzelfde.
Niet meer naar de hondenschool. Thuis trainen.
Na twee maand nog een keer proberen maar … hetzelfde. BANG BANG BANG
Nu moest er iets gebeuren. Hij had duidelijk een angst opgedaan door die losgebroken hond, en die angst werd steeds opnieuw opgeroepen op het terrein, dus die associatie, daar moest iets mee gebeuren. Op naar de hondengedragsdeskundige.
We kwamen zo bij Geert De Bolster, die zelf een Italiaanse waterhond heeft, en vooral decennia (liefdevolle) belangstelling en ervaring met honden.
Zo liet hij ons Zeno begrijpen:
  • Zeno is een bange hond. Dat is een kwetsbaarheid eigen aan dit ras. Hij heeft er meer van dan Jul.
  • Een hond met een angst-kwetsbaarheid in een situatie brengen – steeds opnieuw – waar hij (aan de lijn dan nog wel, zodat hij zelf niet weg kan) vlakbij andere honden en mensen moet zijn, dat is zijn kwetsbaarheid – steeds opnieuw – belasten. Met behulp van eten (Italiaanse waterhonden eten héél graag) kan je hem – een tijdje – afleiden van die angst maar ondertussen blijf je hem blootstellen aan zijn kwetsbaarheid. Tot de emmer vol is.
  • ‘De angst afleren?’ Neenee, het is een angstige hond. Versterk de connectie met Zeno. Zorg ervoor dat hij zich meer verbonden voelt met jullie. In die connectie gaat Zeno een veiligheid ervaren en die kan een tegenwicht gaan vormen voor zijn angst-kwetsbaarheid. In de verbondenheid met jullie wordt hij minder rauw blootgesteld aan alle prikkels die hem potentieel alarmeren. Bescherm hem tegen en in situaties die zijn bedreigingssysteem activeren.
Dat zijn we gaan doen.
Opdat hij in vele vele concrete dingskes zou ervaren: die zorgen voor mij, die zorgen dat ik het goed heb, dat zijn mijn roedelgenoten, die brengen mij niet in gevaarlijke situaties. Die leiden me uit gevaarlijke situaties.
Dat blijven we doen.
We zorgen er bij voorbeeld voor dat we hem – aan de lijn – niet meer te dicht bij andere honden brengen.
Zeno loopt nu meer naast ons (ipv voor ons uit). Hij weet nu dat we er zijn. Hij loopt relaxt.
Honden en mensen waar hij vertrouwd mee geraakt is, die mogen dichter komen.
Hij doet er gewoon langer over eer hij ze een beetje vertrouwt.

Veld van kwetsbaarheid en zorg

‘dat zijn we gaan doen’
Dat klopt, maar
door het zo te zeggen wordt er iets grondig niet gezegd
Neem nu het wandelen met Zeno
stap stap stap trippel trippel trippel
Zeno trekt hard naar voor
de lijn strak
ik stop
lijn los
stap stap stap
trippel trippel
Zeno naast me
hij kijkt naar me
warm
synchroon stap trippel stap trippel stap trippel
stemmen, hij stopt, kijkt achter zich, strak (gevaar?)
ik sta stil
ik wacht
of verschijn weer even in zijn blikveld
weer samen op weg
stap trippel stap trippel stap trippel
In plaats van de opwindende doelen, ambities en verwachtingen
  • ‘een nieuwe Jul’
  • ‘de angst gaat overgaan’
  • ‘agility-kampioen’
komt er iets anders: een teder gevoel over wat we aan het doen zijn: hij en ik met zijn kwetsbaarheid, betrokken op elkaar.
In dat stappen, kijken, vele kleine beslissingen, rekening houdend met hem in de verschillende contexten waarin we komen,
in dat alles ben ik gaan denken dat er misschien nog iets aan het gebeuren is,
in dat veld van kwetsbaarheid en zorg,
iets met een Zeno in mij?
Vele Zeno’s in mij met hun verschillende kwetsbaarheden?
Tot wat voor zorg roepen ze me op?
Johan Van de Putte

fragiel-weten versus robuust-weten

Weten en toch niet, kunnen en toch niet, iets zijn en toch niet

Ik weet niet hoe we er op uitkwamen in het gesprek, het heeft me verrast, hij zei iets en ik herkende het of ik dacht het te herkennen:

dat je kennis en ervaring en vaardigheden hebt – je kan gitaar spelen of je bent psycholoog – en tegelijkertijd kan je er niet bij en het voelt jou vreemd aan…

… terwijl je dadelijk gaat musiceren met anderen. Of een gesprek aangaat met iemand die worstelt met het leven.

Een voorbeeld: binnenkort geef ik een workshop over narratieve therapie, ik heb dat al veel gedaan, met mooie feedback achteraf. Desalniettemin heb ik nu 0,0 voeling met wat tijdens zo’n workshop speelt aan knowhow, aan vaardigheden, aan manieren van omgaan met deelnemers, aan begeestering.

0,0.

Ander voorbeeld: ik ga een half uurtje mediteren. (Je moet weten: ik ben 30 jaar geleden begonnen met mediteren, en ik geef er bijna 20 jaar les in.) Toch: nú weet ik niet wat mediteren is, ik heb geen voeling met wat er dan gebeurt en met wat ik dan doe.

Bijgevolg vraag ik me af: hoe moet dat, dat mediteren? Les geven? Hoe doet een mens dat? Ga ik dat kunnen?
Het antwoord: ik weet het niet, ik hoop het.

(Heeft zoiets een naam?)

Zen mind, beginners’ mind

Aan dat niet-weten kleeft iets kwetsbaar. Het leven zou robuuster aanvoelen als je een bewustzijn van je weten en kunnen met je mee zou kunnen dragen. Je identiteit zou steviger aanvoelen.

Toen mijn gesprekspartner begon over zijn eigen vormen van fragiel-weten – dat is de naam! – drukte hij uit dat hij dit ervaarde als iets on-oké, dat het iets negatief zei over hem. Dat riep overweldigend een impuls bij me op om hier tegenin te gaan, om hem te bevestigen in zijn waarde. Niet uit medelijden of om snel-snel het ego-bloeden te stelpen. Nee, het idee floepte er bij me uit – met de pretentie van een diep overdachte gedachtegang – dat zijn fragiel-weten net goed past bij de diepgang die hem eigen is. Dat anderen daar jaren voor moeten mediteren, om tot die fragiele positie te komen. Om dat aan te durven.
Dat het een voorbeeld was van ‘zen mind, beginners’ mind’ en ‘In the beginner’s mind there are many possibilities, but in the expert’s there are few.’ (Dat komt uit een boek van een Japanse zenmeester)

Dat hij de werkelijkheid benadert met een beginners’ mind ipv een ‘ik ben A en ik kan B en ik weet C’ mind.

Dat ik zijn benadering van het leven open en onderzoekend vind, en dat die al kostbare dingen in zijn leven gebracht heeft (en dat van de mensen rondom hem).

Ik waardeer het als mensen een open, verkennende positie innemen ondanks alle kennis, ervaring en vaardigheden die ze verworven hebben.
Bv psycholoog zijn en dat proberen uitoefenen vanuit de vraag ‘maar wat betekent dat eigenlijk?’ en ‘wat betekent dat in deze situatie?’ en ‘kan ik met heel dat psychologengedoe hier wel iets betekenen?’

(Voorlopige conclusie: een fragiel besef van je vaardigheden/kennis kan samenhangen met een open ingesteldheid tov de wereld én dat is een kostbare positie)

De sterren

In de eerste jaren van mijn psycholoog-zijn droeg ik een robuuster soort overtuiging met me mee over wat ik zoal te bieden had als psycholoog. Mijn besef van de fragiliteit van wat ik te bieden heb is toegenomen in de loop der jaren.
Die evolutie van robuustheid naar fragiliteit is is het gevolg van confrontaties met de grote rol die context speelt.

Denk aan een therapeutisch gesprek en ‘het komt niet’. [Het = de juiste vraag, de heldere formulering, de goeie tip, …] Het komt niet omdat de context [= tijdstip / lichaam / emoties / plek / energie / ervaringen van eerder die dag / verwachtingen / en nog vele-vele andere factoren] het niet faciliteert.

Context – intern en extern – speelt (een grote rol).

(Eigenlijk ervaar ik die zogezegde vaardigheden en kennis ook als externe context, extern aan mijn actuele ervaring)

Als je X keer ervaren hebt hoe context stokken in de wielen van jouw potentieel steekt, krijg je een minder robuuste ervaring van die kennis en vaardigheden en van jezelf.

En als alles fantastisch liep? Dan was de workshop of de meditatie of het contact of het gitaar spelen heerlijk en jij was in goede vorm maar je weet ook dat de sterren gunstig stonden.

(Zó primitief was dat dus nog niet als mensen vroeger een kip of een geit offerden om de goden gunstig te stemmen. Zíj begrepen tenminste de rol van context.)

Aarzelend vertrouwen

Nog iets: als je met anderen te maken hebt, andere mensen, andere levens, dan weet je niet.
Je weet niet wie die ander is (zelfs al denk je dat je hem kent).
Je weet niet wat ze gaan doen.
Hoe ze gaat zijn.
Als je je wil betrekken op die anderen – bv om samen met hen muziek te maken (waar je vaardigheden in hebt, ergens) of om een goed gesprek te hebben (waar je vaardigheden in hebt, ergens) of om te dansen – dan ga je moeten aansluiten en je afstemmen, en het is de vraag of en hoe dat aansluiten en afstemmen gaat verlopen en hoe vaardigheden getriggerd gaan worden. Wat gaat dat geven?
Dat is onzeker terrein.

Met de mond vol tanden staan tegenover dat waar je niet op voorbereid was: dat maakt je vertrouwen op die vaardigheden en kennis van jou aarzelender, voorzichtiger.

(Ego)

(Ik moet denken aan een interview – jaren geleden – met een Nederlandse boeddhistische vrouw die een prijs gewonnen had voor bepaalde verdiensten. Ik herinner het me waarschijnlijk verkeerd maar ik dénk dat de interviewer haar vroeg of ze daar blij mee was. Ja, daar was ze blij mee. Hoe zat het dan met ego, is dat niet iets dat dan opspeelt als je zo’n prijs in ontvangst neemt? Mag je daar wel blij mee zijn als boeddhist? Moet je niet onthecht zijn? Dat vond ze niet. Ze was blij én/maar tegelijkertijd besefte ze hoe belangrijk rol van anderen geweest was in haar levensweg. Ze vertelde bv over de bijdrage van een oud-leerkracht in haar leven. Ze vergeleek de prijs met een ingelijst certificaat: aan welke nagel ga je die lijst hangen? Aan de ‘ik-nagel’? Hoe kan je dat doen als je beseft hoeveel factoren (oa mensen) een rol gespeeld hebben in al datgene dat tot het eerbetoon geleid heeft? Wie of wat is dan die ‘ik’ waar je de lijst aan gaat ophangen?

Ja, ze was héél blij en dankbaar met de prijs. Maar ze vond geen ik-nagel om die stevig aan op te hangen.

Ze maakte nog een vergelijking met zeepbellen: je blaast zeepbellen, ze zijn prachtig, het is heerlijk om te doen én je maakt je geen illusie over de robuustheid ervan.))

(Mijn kennis, mijn vaardigheden, ik?)

De prijs

Beginners’ mind.
Voor die open benadering (van meditatie, van je werk als psycholoog, van muziek, van anderen, van jezelf, van wat dan ook) betaal je een prijs: weg is het robuuste gevoel van je kunnen en je weten en zelfs weg is een robuuste ervaring van jezelf, van je identiteit.
In de plaats ervan: soms iets moois, soms niet.
Soms iets pijnlijk kwetsbaar, soms iets dankbaar.

Gevoelens die ook samenhangen met niet-meer-zo-stevig-weten: onzekerheid, angst en op de koop toe een slecht gevoel over wie je misschien maar bent.
Niet fijn.

Tips (voor mezelf)

“There is a teaching that says that behind all hardening and tightening and rigidity of the heart, there’s always fear. But if you touch fear, behind fear there is a soft spot. And if you touch that soft spot, you find the vast blue sky. You find that which is ineffable, ungraspable, and unbiased, that which can support and awaken us at any time.”
Pema Chödrön (boeddhistische non)

Mooi. Sfeervol. Romantisch.
Maar onzekerheid en angst voelen niet mooi en sfeervol aan. Eerder als sterven (denk ik).
Het leven – ook als je openheid waardeert – is ook een praktische aangelegenheid en dus stel ik de vraag:

Hoe ga je om met de onzekerheid die je bekruipt wanneer je weinig voeling hebt met je kennis en vaardigheden, of wanneer je vooral voeling hebt met het ongewisse van de situatie waar je je gaat in begeven?

Dit zijn enkele van de dingen die ik doe, ik schrijf ze op alsof ik mezelf tips geef:

  • Accepteer de onzekerheid die je voelt: ze is terecht.
  • Spreek uit wat je hoopt of verlangt: bv ‘ik zou graag enkele mensen bereiken met het idee dat ik koester dat …’ of ‘ik hoop dat ik iets kan betekenen voor hem’ of ‘ik ga proberen om enkele momenten aanwezig te zijn, dat zou mooi zijn’.
  • Schrijf met een dagboekachtige eerlijkheid je ervaring neer (inbegrepen de onzekerheden die je ervaart, inbegrepen wat je vreest of waar je je over schaamt).
  • Beweeg.
  • Blijf zoeken wat een goed proces is om hiermee om te gaan.

Conclusies

Herken je dit?
Gevoelens van onzekerheid die zich niet laten verjagen met de jaren en die overleven naast al je ervaring en competenties.
Die recht van bestaan hebben.
Die een andere kant zijn van een open en kwetsbare positie die je inneemt tegenover de ander en het andere.
Een soft spot.
Die werkbaar kan zijn.

Als je dit herkent, hoe ga jij ermee om?

Vriendelijke groeten,
Johan Van de Putte

Mediteren: maak het werkbaar

Mediteren, in de zin van oefenen om

met opzet een open aandacht op te brengen voor een bepaald type ervaringen in het huidige ogenblik,

is niet ingewikkeld maar ook niet makkelijk.
Dat ervaar je zo gauw je ermee begint.

Als je het wil doen, en er zijn hele goede redenen om dat te willen, maak het dan werkbaar voor jou.

Werk eraan, werk ermee, en werk er oa aan om het werkbaar te maken voor jou.

Er zijn steeds basisinstructies, zoals bv bij de Body Scan:

  • Breng je aandacht bij de lichamelijke gewaarwordingen (bv in je linkerdijbeen),
  • Probeer de aandacht voor die gewaarwordingen even aan te houden zodat je opmerkt wat er daar zoal gebeurt en voelbaar is,
  • Wanneer je door hebt dat je aandacht blijkbaar weggeweest is, benoem dit in gedachten als ‘denken’ en breng de aandacht vervolgens rustig terug naar de gewaarwordingen (en doe dat steeds opnieuw).

Hou je hier aan.
Ook aan de tijd die je voorzien had om te mediteren.
Ook als het (te) moeilijk is.

Maar doe ook alles om de basisinstructies werkbaar te maken, zoals

  • Beweeg je lichaam.
  • Raak het linkerdijbeen aan.
  • Benoem het (‘dijbeen’), in je hoofd of luidop.
  • Stel jezelf een vraag: ‘wat voel ik in …?’
  • Moedig jezelf aan: ‘Yes! Now we are talking!’ of ‘Ahaa!’

En experimenteer, experimenteer, experimenteer.

 

Nog iets om het werkbaar te maken:

Besef:
Mediteren is geen glad proces.
Mediteren verloopt in stukjes en beetjes. Aan en af. Start. Stop. Afwijking. Probleem. Er iets mee proberen doen. Staccato. Rommelig.

Je bent er een momentje bij. Je aandacht is ver weg. Terug. Je voelt ontevredenheid, frustratie. Je probeert er terug bij te geraken, bij die gewaarwordingen. Je voelt ze een beetje. Je voelt ze nog steeds maar je hoort ook de honden blaffen en je vraagt je af of er iemand aan de deur gebeld heeft. Het stopt. Oh ja, een uitademing. Voelt lekker. En dan die inademingsgewaarwordingen die erop volgen. Fijn. Je schouders beginnen wat vervelend aan te voelen. Je besluit om je armen even uit te rekken, dat doet deugd. Terug meer aandacht voor de ademhalingsgewaarwordingen. Kan ik er nog dichter bij komen? Even proberen. …

 

Denk niet aan een idyllisch landschap.
Denk niet aan een onverstoorbaar zittende Boeddha.
Denk aan een drukke kleuter.
Nee, denk aan een klas volle drukke kleuters. En jij bent de juf.
Nee, jij bent de klas drukke kleuters, én je bent de juf.
Je probeert het werkbaar te maken.

 

Johan Van de Putte